Historie 1964-1988 – Van der Boog & Van den Bosch

//Historie 1964-1988 – Van der Boog & Van den Bosch
Historie 1964-1988 – Van der Boog & Van den Bosch2018-08-23T12:00:24+00:00

De na-oorlogse opbouwjaren

De historie gaat verder in de jaren ’50 en ’60. Dit waren jaren van opbouw en groei van het bedrijf. In 1963 en ’64 bouwde Willem van Egmond met zijn Kassenbouwbedrijf “De Schans” nieuwe kassen. Daarin kwam centrale verwarming die werd gestookt met een Ten Horn-ketel, in die tijd een hypermodern ding dat in Groningen werd gebouwd. Dit merk was de opvolger van de “Schotse scheepsketels”, tweedehandsjes die in de jaren daarvoor werden gebruikt in de tuinbouw en eigenlijk niet zo voor dat doel geschikt waren.

Er werd op een veiling land gekocht aan de Voorhouterweg om te dienen als plaats voor hervestiging in het geval de kassen bij het dorp weg moesten. Ook werd een perceel gekocht genaamd “De Geertjes” aan de Noordwijkerweg (aan de parkeerplaats achter de benzinepomp bij het R.B.B. voetbalveld).
Daarvoor was Henk van den Bosch al aan de Oegstgeesterweg gaan wonen en daar was achter het huis ook een stuk land bij, waarop ze een grote rolkas hebben gezet. Later is daar een naastliggend perceel met opstallen aan het “Melkpad” bij gekocht van buurman Cor Zandbergen.

Corso deelname met een tractor van Zandbergen ervoor.

Vervolgens werd er – echt op z’n Rijnsburgs – ook nog een bollenkraam opgebouwd waarvan de teelt onder contract werd uitbesteed naar de kop van Noord-Holland. En later naar de IJsselmeerpolders werd verplaatst (Wieringermeer en Noordoostpolder). Legendarisch is de jarenlange samenwerking met bollenteler en akkerbouwer Gerrit Viersen in de polder bij Medemblik en daarna met Veco b.v. van de familie Veendrick in Creil (N.O.P.). Een bollenteeltavontuur in Zeeland was geen succes omdat het slootwater daar op Overflakkee te zout was om te beregenen en daarom een kort leven beschoren. De bloeibare bollen werden in Rijnsburg gebruikt voor de snijtulpenteelt.
Feitelijk was de firma daarmee ook nog een soort bollenbedrijf geworden. Peter vertelt: “In de beginjaren ging ik als jochie mee naar de Kop om te helpen strodekken. Dat was in het teeltcontract niet vastgelegd (foutje!) en daar waren we dus zelf verantwoordelijk voor. Allemaal toen nog handwerk, dus er werd een auto gehuurd en we trokken met een groepje naar Noord-Holland. Tussen de middag hadden we beste trek en aten we biefstuk met patat in de lokale dorpskroeg naast de vlotbrug in het dorpje “t Zand, genaamd “Café Stammes”.

In 1973 is er aan de Katwijkerweg een forse bedrijfsschuur gebouwd met grote koelcellen erin, bruikbaar voor de kwekerij en de bollenverwerking. Die schuur had een hele zware constructie, op de bovenverdieping kon 30 ton plantgoed worden bewaard.

Teeltvergunning uit 1946.

Teeltvergunningen
In de jaren vijftig was bloementeelt gebonden aan teeltvergunningen en daar liep de hele bedrijfstak tegen te hoop. Groei was nauwelijks mogelijk en vergunning verlening leidde soms tot corruptie-achtige toestanden. Toen dat vergunningenstelsel werd opgeheven omdat de EEG werd opgericht ging de beer los. De sierteeltproductie explodeerde en dat leidde tot excessen, want lang niet alle grensbelemmeringen waren ineens weg. Zo kon het gebeuren dat in februari de Duitse grens dicht ging omdat het export contingent voor tulpen al bereikt was. Dikke paniek toen, want 80 procent van de bloemenexport ging destijds naar de oosterburen.
Maar handelsgericht Rijnsburg zou Rijnsburg niet zijn als ze geen sluw plan wisten. En zo gingen de tulpen met bol en al de grens over, want dan zaten er wortels aan en kon het wel de grens over als “sierplanten”. Daar was nog wel contingent voor. De telers rolden de tulpen per 50 in een krant en vonden het allang best. Weg was weg en bollen afvoeren hoefde ook niet meer. Vele jaren later herhaalde zich dit spel toen de Russen tijdens het bewind van Jeltsin de grens sloten voor Hollandse bloemen. Die gingen vervolgens weg via o.a. België, kwestie van even andere douanepapieren maken.

Eén van de andere activiteiten was de handel in anjer-stekken in de jaren vijftig. Om reclame voor het bedrijf te maken deed Fa. van den Bosch daarom mee aan allerlei keuringen en het Rijnsburgse bloemencorso. De bekers van het corso hebben nog steeds een ereplaats in de prijzenkast van het huidige bedrijf. Uiteindelijk is de anjerteelt in de kas en de stekhandel ten prooi gevallen aan de vaatziekte Fusarium en noodgedwongen beëindigd.

De jaren zeventig braken aan met de komst van de 1e energiecrisis in 1973. Inmiddels zat het bedrijf volop in de energievretende Anthuriumteelt, een sub-tropisch gewas. Dat was in de oude kassen uit 1963 niet vol te houden en weer ging men omschakelen, dit keer naar koeler te telen gewassen zoals Freesia. Maar dan niet meer uit zaad, zoals in de vijftiger jaren. Er kwamen knollen van nieuwe rassen in allerlei kleuren en de rest van het teeltseizoen werd op z’n Rijnsburgs ingevuld met allerlei zomerbloemen en tulpen in de winter. Om de knollen te prepareren werd er samen met Gebr. Den Heijer op De Dijk een kleine 30 graden C cel in de schuur op zolder gemaakt en gezamenlijk gebruikt.

Naar Historie 1988-2010